Misschien hoorde je al van de mythe van Khaldi, een Ethiopische geitenhoeder die dag en nacht bij zijn kudde woonde? Op een nacht merkte hij dat zijn dieren de slaap niet konden vatten, erg rusteloos waren en sommigen zelfs bokkesprongen maakten. Hij begreep er niets van en dacht dat ze bezeten waren… Bij het ochtendgloren zag hij dat ze rode besjes hadden gegeten die aan een struik hingen. Toen hij uit nieuwsgierigheid zelf proefde, had dit een gelijkaardig effect op hem. Hij voelde zich sterker en scherp van geest. Hij had de koffiebes ontdekt.

Eeuwenlang kauwden de Ethiopiërs deze bessen en maakten ze er slappe thee van die echter in niets te vergelijken valt met wat wij vandaag koffie noemen.

Daarvoor gaan we naar het Jemenitische Mokka, een havenstad in het gebied dat door de Romeinen Arabië of Arabica werd genoemd. In de 14e eeuw roosterde de geestelijke Ali Ibn Omar al-Shadhili er voor het eerst pitten van koffiebessen om er een brouwsel uit te extraheren dat qahwa werd genoemd. Met deze drank raakten de monniken in extase en konden ze de aan hun God gewijde ceremonies tot diep in de nacht volhouden. Als Nomaden kwamen ze in alle streken van Noord-Afrika tot het Midden-Oosten en verspreidden ze hun drank onder de bevolking. De Turken verbasterden qahwa tot kahve wat uiteindelijk resulteerde in de benaming koffie en coffee.

Al-Shadhili werd in Jemen bekend als ‘the Monk of Mokha’ die koffie uitvond. Mokka, ondertussen synoniem van koffie, werd de voornaamste exporthaven van koffie en werd als handelsgoed in Jemen zo waardevol bevonden dat export van een zaailing of plant streng verboden was. Smokkel werd als hoogverraad beschouwd.

Het duurde tot 1616 vooraleer de eerste koffieplant via de Vereenigde Oost-indische Compagnie stiekem Europa bereikte. Vanuit Amsterdam werden koffieplanten door de Nederlanders en Fransen wereldwijd verbouwd in hun koloniale gebieden.